Home Archief muzikale vespers Een lafenis in de ruimte van de hele kerk

Een lafenis in de ruimte van de hele kerk

“Het begon voor mij in mijn laatste jaar van het gymnasium, 1957/58. Ik zat op het Hervormd Lyceum in Amsterdam waar Frits Mehrtens muziekles gaf. Iedere schooldag begon met een ochtendwijding in de aula. Daar stond een orgel waar de zang op begeleid werd. Leerlingen deden dat. Ik was geinteresseerd in muziek en in het bijzonder in orgels. Het was door Mehrtens dat ik betrokken raakte bij de Nocturnen.”

Daar, in de toen pas gebouwde, hervormde Maranatha-kerk in Amsterdam-Zuid maakte de thans 58-jarige Wim Kloppenburg de ontstaansgeschiedenis mee van het hele repertoire dat Mehrtens componeerde op de teksten van verscheidene 'Liedboek-dichters', met als voornaamste auteur Willem Barnard.

“Mehrtens vroeg me voor zijn cantorij. Die zong in een dienst op dinsdagavond, de Nocturnen. Wat daar gebeurde, was om twee redenen bijzonder. Er werd steeds een hoofddienst van Schrift en Tafel gevierd, terwijl een avondmaalsviering normaal maar een paar keer per jaar voorkwam. En voor de lezingen werd gebruik gemaakt van het klassieke leesrooster. Dat was nieuw: het volgen van een liturgische jaarorde.”

De vieringen in de Maranatha-kerk, begonnen in 1957, werden opgezet door dominee W. G. Overbosch. In de predikant en dichter Willem Barnard en de musicus Frits Mehrtens vond hij congeniale geesten. Kloppenburg herinnert zich heel goed de ongelooflijke werkdrift van Overbosch; wat er geëxperimenteerd werd, verscheen in druk onder de titel 'Adem van het Jaar'.

Kloppenburg: “De hele liturgisch jaarorde moest worden opgebouwd. Die bestond niet in de protestantse wereld. De dominee koos naar eigen goedvinden zelf de lezingen uit of in strenge gemeentes hield men een doorlopende lezing aan: de Bijbel van voor naar achteren. Bij vele zondagen waren geen geschikte liederen voorhanden; die moesten gedicht en gecomponeerd worden. En de gemeente moest ze leren zingen.”

“Mehrtens hing grote vellen op waar in koeiennoten de muziek op stond; de kopieermachine bestond immers nog niet. Zo werden ze voor het eerst gezongen: 'Zingt Jubilate voor de Heer' en 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang'. De tekst van wat gezang 225 werd, begon oorspronkelijk met 'Zingt, zingt de Heer een nieuw gezang'. Dat wijzigde Barnard later. Het gemaakte werd meteen gebruikt, getoetst. Ik vind dat nog altijd het sterkste aandeel in de nieuwe liederen voor het Liedboek, de nummers die ontstonden uit de inspiratie van het moment. Veel sterker dan sommige liederen die later ontstonden uit opdrachten toen het Liedboek gecompleteerd moest worden.”

Nieuw voor een protestantse dienst was ook de deelname van een koor. Kerkkoren bestonden er wel, maar die zongen niet in de liturgie. Zij voerden als oratoriumverenigingen kerkelijke muziek uit. Hooguit traden zulke koren een enkele keer ter opluistering op in een dienst. Maar van een doorlopende liturgische muziekpraktijk was, in tegenstelling tot de koren in rooms- en oud-katholieke en ook de lutherse kerken, geen sprake in hervormde en gereformeerde kring.

Kloppenburg: “Er kon zich geen liturgische vocale muziekpraktijk ontwikkelen als de dominee pas op zaterdag bepaalde wat er gezongen ging worden, en op zondagmorgen vlak voor die dienst zijn keus door de koster aan de organist liet brengen. Wat de hervormden en gereformeerden misten was de inspirerende discipline van de kerkelijke tijd. Hier en daar kwam het liturgisch besef na de oorlog op gang. Ik denk aan Willem Vogel die in 1946 in de Emma-kerk in Amsterdam-Watergraafsmeer werd benoemd en daar een groepje zangers had. Zulke groepen voerden de naam 'cantorij', ter onderscheiding van 'kerkkoor'; het ging niet alleen om vocale, maar ook om instrumentale muziek ten dienste van de liturgie.”

De Nocturnen-cantorij ging Matinen-cantorij heten toen de bijzondere kerkdiensten naar de zondagmorgen en naar een andere locatie verhuisden. Uiteindelijk kregen de Matinen in 1966 hun plek in een kerkgebouw dat vooral op instigatie van dominee Overbosch gebouwd was voor de nieuwe liturgische praktijk, met onder meer een wekelijkse avondmaalviering. Dat was de Thomaskerk aan de Prinses Irene-straat, ook in Amsterdam-Zuid. Kloppenburg ging de cantorij leiden, want Mehrtens bleef verbonden aan de wijkgemeente van de Maranatha-kerk.

“Beestachtig vroeg begonnen we daar,” roept Kloppenburg dertig jaar na dato nog met enig afgrijzen in zijn stem uit. “Om half negen begon de vooroefening, om negen uur de dienst, en die moest om 10 uur klaar zijn, want om half elf kwam de gewone wijkgemeente.” Je zou denken dat het storm liep voor zoiets moois als een nieuwe liturgie, nieuwe teksten, nieuwe muziek. Maar de realiteit lag toch anders.

“Het was een spannende tijd, vooral tussen 1957 en 1966,” reageert Kloppenburg. “Toen ontstond het repertoire en waren bij wijze van spreken de noten op het muziekpapier nog nat. Maar de deelname aan die diensten is toch nooit massaal geweest; we werden geduld. Ik schat dat er een honderd bezoekers in de Maranatha-kerk zaten, en die kwamen ook naar de Thomas-kerk.”

“In de jaren zeventig liep dat aantal terug; er waren zondagen met meer cantorij-leden dan gewone kerkgangers. Dat kon niet zo doorgaan, vonden wij. In 1977 hebben we het einde van de Matinen geforceerd. Ik had sterk het gevoel dat het werk gedaan was. Sinds 1973 was het Liedboek ingevoerd en er was het dienstboek 'Onze hulp'; het liturgisch besef was groeiende in den lande. Er bestond eigenlijk geen functie meer voor een kweekplaats, een oefenplaats. ”

De Matinen-cantorij bleef overigens bestaan, maar veranderde wel muzikaal van inhoud. Het koor kreeg een openvallende plaats aangeboden in de Kruiskerk in Amstelveen; daar werkt de cantorij sinds 1977 om de zes tot acht weken mee aan oecumenische cantate-diensten. In diezelfde kerk verzorgt de groep aanstaande zaterdagavond om half acht het Liedboek-concert.

Onder leiding van Kloppenburg - die in de Kruiskerk ook cantor-organist is- bouwde de cantorij een kunstrepertoire op van cantates, motetten en aanverwante composities. Dat wordt ontleend aan de Italiaanse, Duitse en Engelse kerkmuziekschat vanaf de laat-renaissance tot en met de twintigste eeuw. Geschikt voor 'geestelijke concerten' en muzikale avonddiensten. Stukken waar in de Nocturnen, c.q. Matinen geen plaats voor was.

Maar Kloppenburg bleef het Liedboek en de stijl van het Liedboek trouw in de keuze van omringende gezangen voor de gemeente. Ook door zijn publicaties en zijn twintig jaar lange verzorging van een muziek-liturgisch programma voor de Ikon-radio (waar hij in 1996 onvrijwillig mee stopte) ontwikkelde hij zich tot een soort 'geweten' van het Liedboek en van de uitgangspunten die zijn leermeester Frits Mehrtens op muzikaal terrein en Willem Barnard cum suis op het gebied van het W(w)oord creëerden. Hoe kijkt hij terug op die periode van veertig jaar groei naar, door en met het Liedboek?

Kloppenburg: “Er is één ding dat mij is bijgebleven: inderdaad dat hier iets nieuws begon. Er werden destijds alleen psalmen in oude berijming gezongen en een paar tamelijk donkerbruine negentiende eeuwse liederen. Daarin lag het accent op een zeker geloofssentiment. Door Mehrtens maakte ik kennis met een totaal andere manier van denken en muziekmaken. Dat muzikale element was ontleend aan de Duitse, lutherse reformatie. Aan de moderne tijd met Hugo Distler, Ernst Pepping en Siegfried Reda, en aan het begin van de reformatie met de liederen van Luther en de psalmen en motetten van Heinrich Schütz. Daar ging het om een zo helder mogelijke verklanking van de tekst.”

“Die stijl werd gedragen door de preken: die vergeet ik nooit meer. Kort, compact, niet langer dan tien minuten, maar vol betekenis. Barnard bedreef gewoon poëzie hardop; zijn preken hadden meerdere lagen. Ze werden gestencild, want je wilde ze nalezen. Verrassend daarin was de nieuwe visie op het Oude Testament. Ik kom uit een traditie waarin het Oude Testament bijna overbodig was verklaard, want het was zo mooi voorspeld wat in de Here Jezus was uitgekomen. Het was vervuld.”

“Bij Overbosch en Barnard kreeg dat vervuld zijn een nieuwe betekenis. Zij namen het Oude Testament serieus en zetten er lezingen daaruit naast de klassieke epistel- en evangelie-lezingen. De kernzin van wat zij bedoelden staat in gezang 173: 'Alles wat over ons geschreven is, gaat Gij volbrengen'. Barnard legt dat de gemeente in de mond; die is als de Emmaüsgangers aan wie Jezus uitlegt hoe het met hen, het volk van Israël gegaan is.”

“Wat ik in muzikaal opzicht als verfrissend heb ervaren, is het gebruik van de kerktoonsoorten; je kon daardoor ontsnappen uit het majeur-mineur patroon. Ook de vrije omgang met de ritmiek in eenheden van twee of drie naar gelang van de tekstaccenten.”

Kloppenburg betreurt het dat het Liedboek eenduidig gericht werd op het coupletlied. Want de praktijk van de Nocturnen/Matinen leverde ook anderssoortige gezangen op, zoals beurtzangen. Die werden gepubliceerd in de 'Adem van het Jaar'.

“Het Liedboek geeft een vertekend beeld. Een goed voorbeeld vind je in gezang 25 'Het volk dat wandelt in het duister'. Een van de mooiste liederen uit de Nocturnen-tijd. Schulte Nordholt berijmde de passage uit Jesaja hoofdstuk 9, vers 1 tot en met 6 bijna letterlijk. Mehrtens ontwierp een bij de negen strofen passende muzikale afwisseling; maar de Liedboek-redactie wilde alle coupletten met dezelfde melodie.”

“Het maken van het Liedboek werd een probleem toen het niet alleen meer een hervormde zaak was. Midden jaren zestig was het hele bestand aan liederen voor het liturgisch jaar gereed. Maar het Liedboek kwam pas in 1973. Iedere deelnemende kerk bracht andere opvattingen in. Er is bijvoorbeeld heel wat gepraat over de hoofdstukaanduiding voor de passietijd. 'Veertigdagentijd' is rooms zeiden de gereformeerden, want die noemden het 'lijdenstijd'. Dat vonden andere kerken te piëtistisch.

Het werd uiteindelijk 'Tijd voor Pasen'. Liederen waarin gezinspeeld werd op 'veertigdagen' (het lied van Barnard bijvoorbeeld 'Alles wat over ons geschreven staat') kwamen er niet in. Wel mocht de versie van Barnards lied er in voor het einde van de lijdenstijd, waar 'veertigdagen' is veranderd in 'laatste dagen'!'

Nocturnen en Matinen herontdekten ook de oude liedschat, de voor-reformatorische hymnen die Schulte Nordholt volgens Kloppenburg “buitengewoon virtuoos vertaald heeft. Ze sloten goed aan bij de nagestreefde, meer objectieve geloofsverkondiging. De kennismaking gaf je het gevoel in een bepaalde geloofsruimte te zijn gezet; het Liedboek loopt van Ambrosius tot en met Barnard. Sommige moderne theologen suggereren dat wij nu het geloof onder woorden hebben gebracht. Daar ben ik het niet mee eens; niet in mijn verstand, noch in mijn geloofsbeleving. Ik mag met Ambrosius en Luther meezingen; die zeiden het anders dan ik maar aan hun liederen kan ik me laven. Het kerklied door alle eeuwen heen als lafenis. Dat is voor mij heel belangrijk.”

Die ruimte van het kerklied werd opgetrokken in een tijdperk dat het sociaal-politieke protest zich onder meer in liederen (de opkomende ppomuziek) uitdrukte, in een tijdperk ook dat de 'God is dood'-theorie opgeld deed. Werkte dat door in Nocturnen en Matinen?

Kloppenburg: “Dat je tegen kernwapens demonstreerde hoorde er bij; ik heb dat nooit zo bewust in de liturgie gevoeld. In preken kwamen zulke zaken hooguit aan de orde in een tussenzinnetje; dat dwong je om er over na te denken. Maar de diensten waren geen 'politiek avondgebed' in de trant zoals Dorothee Sölle die hield. Of de nieuwe liederen God opnieuw wilden tekenen, weet ik niet. 'In flarden hangt uw woord' heet het in het laatste gezang uit het Liedboek, nr 491 ('Gij zijt voorbijgegaan, een steekvlam in de nacht', van Huub Oosterhuis). Het zijn als het ware uitsparingen, waaruit een nieuw beeld van de Messias overblijft.”

“Ooit is het beeld geschetst van kleumende mensen die in de afwezigheid van God en in de troosteloosheid van het bestaan enige troost bijelkaar vinden in de liturgie. In die zin is er nooit over gepraat in de Matinen-gemeenschap. Die 'God is dood'-theorie raakte ons niet, alhoewel we allemaal Robinson (John A.T. Robinson 'Honest to God'/ Nederlandse uitgave: 'Eerlijk voor God' - red.) hadden gelezen. De Matinen was een beweging: weg van het dogma. Barnard heeft altijd benadrukt: eigenlijk kun je alleen zingend geloven. En je zingt in de ruimte van de hele kerk, mèt de klassieke liederen èn het historisch materiaal er bij.

Daarom kijk ik sceptisch aan tegen sommige plannen voor een nieuw liedboek. Ik ben bang dat er iets omgekeerds aan de gang is van wat in 1973 het uitgangspunt was, namelijk: wij verenigen ons samen in de kerken in de éne lofzang. Nu zijn er vooral groepen die proberen hun eigen liedrepertoire in het nieuwe liedboek te krijgen. Daarom zie ik liever een kernuitgave met tweehonderd liederen waarvan men zegt: dit hoort bij de kerk. En wie zijn eigen lievelingsliederen wil zingen: Ga je gang; het vermenigvuldigen is geen enkel probleem meer.'

 

Bron en copyright: Trouw